WAB: Oproepkracht

Oproepkracht

Vanaf 1 januari 2020 is er sprake van een oproepovereenkomst als:

a) De omvang van de arbeid niet is vastgelegd als één aantal uren per tijdseenheid van:

1. ten hoogste een maand; of
2. ten hoogste een jaar en het recht op loon van de werknemer gelijkmatig is verdeeld over die tijdseenheid; of

b) de werknemer op grond van artikel 628, lid 5 of 7, of artikel 691, lid 7, geen recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.

De oproepkracht moet 4 kalenderdagen van te voren worden opgeroepen. Indien dit niet het geval is, hoeft de oproepkracht geen gehoor te geven aan de oproep. Dit neemt niet weg dat de oproepkracht de oproep vrijwillig kan aanvaarden. Bij de berekening van de termijn van 4 kalenderdagen moet de geplande werkdag niet worden meegeteld.

De oproep moet schriftelijk of elektronisch gebeuren. Wanneer de werkgever dit niet doet is er niet goed opgeroepen.

Is er eenmaal een oproep gedaan maar wordt deze ingetrokken, dan heeft de oproepkracht toch recht op loon over de oproepperiode(minimaal 3 uur). De intrekking moet schriftelijk of elektronisch plaatsvinden.

Een mondelinge intrekking is namelijk niet rechtsgeldig en ontslaat de werkgever niet van het betalen van loon over de tijdstippen waarover de oproepkracht is opgeroepen. De werkgever moet het loon doorbetalen, zelfs al heeft hij de loondoorbetalingsplicht uitgesloten. Indien de werkgever dit verzuimt, kan een werknemer tot vijf jaar na dato een loonvordering instellen en hierbij wettelijke rente en verhoging bij vertraging vorderen. De verhoging bij vertraging kan oplopen tot de helft van het verschuldigde bedrag.

Het is mogelijk om in de CAO hiervan af te wijken waardoor de oproeptermijn verkort kan worden van 4 dagen naar 1 dag.

Steeds als de arbeidsovereenkomst twaalf maanden heeft geduurd moet de werkgever in de dertiende maand schriftelijk of elektronisch een aanbod voor een vaste arbeidsomvang doen waarbij geen sprake kan zijn van een uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting. Hierbij moet niet gekeken worden naar de gewerkte weken maar naar de duur van de arbeidsovereenkomsten. De arbeidsovereenkomsten die elkaar met een onderbreking van maximaal 6 maanden hebben opgevolgd moeten samen worden geteld. De arbeidsomvang moet tenminste gelijk zijn aan de gemiddelde arbeidsomvang van de afgelopen 12 maanden.

Als de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2020 langer dan 12 maanden heeft geduurd, is de werkgever verplicht om het aanbod voor een vaste arbeidsomvang zonder uitsluiting van de doorbetalingsverplichting binnen een maand te doen.

Als de werkgever verzuimt om een aanbod te doen heeft de werknemer gedurende de periode waarin de werkgever de verplichting tot het doen van de aanbod is niet nagekomen, recht op loon over de gemiddelde arbeidsomvang. Dit geldt ook als de werknemer niet heeft gewerkt, omdat de werkgever hem niet heeft opgeroepen. De werknemer kan tot vijf jaar na dato een loonvordering instellen en hierbij wettelijke rente en verhoging bij vertraging vorderen. De verhoging bij vertraging kan oplopen tot de helft van het verschuldigde bedrag.

De verplichting tot het doen van een aanbod voor vaste omvang vervalt als er geen of niet meer sprake is van een oproepovereenkomst.