De coronacrisis dwingt ons het probleem van onze arbeidsmarkt onder ogen te zien

De klappen door de coronacrisis zullen hard zijn en ongelijk verdeeld worden, schrijft bestuurskundige Hendrik Noten. Dat komt door de specifieke aard van de Nederlandse arbeidsmarkt. We gaan nu de gevolgen merken van het jarenlange flexibiliseren.



De precieze gevolgen van de coronacrisis zijn op dit moment nauwelijks te overzien. Maar als de trends doorzetten is één ding duidelijk: de economische klappen zullen hard zijn en ongelijk verdeeld worden. Sinds de financiële crisis van 2008 groeien de verschillen tussen de zogenaamde haves en have-nots op de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze crisis heeft alles in zich om die kloof verder te vergroten. Tegelijkertijd toont zij ons hoe onderling verbonden we zijn. In die solidariteit schuilt de kans hier sterker uit te komen.

DE VOLGENDE UITDAGING

Met de nu al historische televisietoespraak van premier Rutte is Nederland een nieuwe fase van de coronacrisis ingegaan. De volgende prioriteit van nationale overheden is het zoveel mogelijk overeind houden van de economie. Het kabinet heeft een groot noodpakket aangekondigd om bedrijven en werkgelegenheid te beschermen. De maatregelen zijn historisch en verreikend in omvang.

De pijn zal niet evenredig verdeeld zijn door de specifieke aard van de Nederlandse arbeidsmarkt.

Het valt te hopen dat het pakket zal helpen de ergste economische schokken te voorkomen. Maar zelfs als dat lukt, lijkt het onvermijdelijk dat grote groepen mensen deze crisis gaan voelen. Er zullen bedrijven zijn die het niet gaan redden en er zijn dus mensen die hun baan zullen kwijtraken.

Daarin schuilt de volgende uitdaging: die pijn zal namelijk niet evenredig verdeeld zijn door de specifieke aard van de Nederlandse arbeidsmarkt.

TE LOG, TE LANGZAAM EN TE DUUR

Aan het begin van de jaren tachtig maakte de Nederlandse economie een zware recessie door. De werkloosheid, inflatie en het begrotingstekort liepen razendsnel op. In die moeilijke omstandigheden won een jonge Ruud Lubbers (CDA) de verkiezingen.

In een poging het bedrijfsleven concurrerender en wendbaarder te maken, verplaatste de politiek risico’s van het collectief naar de individuele werkende.

Zijn eerste kabinet bleek een kantelpunt in het nadenken over de economie. De overtuiging ontstond dat Nederland te log, te langzaam en bovenal te duur was; aan alle kanten moest het mes erin. In een poging het bedrijfsleven concurrerender en wendbaarder te maken, verplaatste de politiek risico’s van het collectief naar de individuele werkende.

FLEXAKKOORD

De gedachte was simpel: minder lasten voor ondernemingen betekent meer winst, en winstgevende bedrijven leiden tot een sterker Nederland. Lubbers verlaagde de ambtenarensalarissen, versoepelde de arbeidsmarkt en dwong FNV-voorzitter Wim Kok naar de onderhandeltafel om het zogeheten Akkoord van Wassenaar te sluiten. Daarin sprak Kok met werkgeversvoorman van Veen af dat de vakbeweging geen loonsverhogingen zou eisen.

In reactie op de recessie legden opeenvolgende kabinetten nog meer verantwoordelijkheden bij individuele burgers.

Vertrouwend op de nieuwe formule deed de polder er in de jaren negentig nog een schepje bovenop. Het belang van flexibel werk was bijna niet meer weg te denken en in 1996 sloten werkgevers en werknemers aan de keukentafel van FNV-voorzitter Lodewijk de Waal het zogenaamde ‘flexakkoord’, waarmee de versoepeling van de arbeidsmarkt salonfähig werd.

De financiële crisis van 2008 leidde vervolgens tot meer van hetzelfde. In reactie op die recessie legden opeenvolgende kabinetten nog meer verantwoordelijkheden bij individuele burgers. Zo werd het ontslagrecht versoepeld en de WW versoberd, en werden eisen voor de bijstand aangescherpt. Bovendien kwam de flexibilisering van de arbeidsmarkt in een stroomversnelling.

WORSTELEN OM AAN TE HAKEN

Door al deze maatregelen groeide de kloof tussen wat wetenschappers de haves en have-nots zijn gaan noemen: de ene groep mensen draait succesvol mee terwijl de andere moet worstelen om aan te haken.

‘Deze mensen staan in de frontlinie in geval van zwaar weer.’

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt duidelijk hoe groot deze verschuiving is geweest. Sinds 2003 groeide het aantal flexwerkers in Nederland met 75 procent. In deze categorie vallen volgens het CBS alle werkenden die geen vast dienstverband hebben. Denk bijvoorbeeld aan de oproepkracht in het restaurant op de hoek, de uitzendkracht die ’s ochtends de pallets vol tulpen over de vloer van de bloemenveiling rijdt of de zzp’er die een workshop vitaliteit verzorgt voor een bedrijfsafdeling.

In totaal telt Nederland vandaag de dag drie miljoen flexwerkers, iets meer dan een derde van alle werkenden. Natuurlijk verschillen deze mensen onderling enorm. Toch delen zij wel een aantal kenmerken. Ten eerste zijn ze in de regel economisch en fysiek kwetsbaarder dan de groep vaste medewerkers. Ten tweede vangen zij in slechte tijden de eerste en wellicht grootste klappen op. Zoals minister Koolmees van Sociale Zaken vaststelde: ‘Deze mensen staan in de frontlinie in geval van zwaar weer.’

MENSELIJKE BUFFER

Met dit leger aan flexibele werkenden hebben we in Nederland een menselijke buffer opgebouwd voor slechte tijden. Wanneer het even tegenzit, kunnen we deze groep als eerste minder of zelfs helemaal niet meer laten werken. Omdat zij niet of nauwelijks aanspraak kunnen maken op bijvoorbeeld ontslagbescherming, kan dit vrij gemakkelijk en abrupt. Dat biedt bedrijven en vaste medewerkers de nodige flexibiliteit: terwijl een kleinere groep inlevert kunnen zij doorgaan. Maar die onzekerheid kent een prijs.

In Nederland zijn nog altijd grote aantallen gezinnen financieel kwetsbaar. Onderzoek van het Nibud laat zien dat een op de vijf huishoudens betalingsproblemen heeft. Ondanks de economische voorspoed daalde dit aantal de laatste jaren niet. Mensen die tegen problemen aanlopen in hun leven – zoals het verliezen van een baan – lopen extra grote risico’s om in financiële problemen te raken.

Een derde van de flexwerkers spaart niet, terwijl bijna de helft van de flexwerkers met middeninkomens nog geen 5.000 euro achter de hand heeft.

In januari van dit jaar meldde De Nederlandsche Bank nog dat één op de zeven Nederlanders niet in staat is een bedrag van 2.000 euro op te hoesten. De bank noemde dat toen een ‘weinig geruststellende situatie’. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat lager opgeleiden bovendien oververtegenwoordigd zijn in de groep flexwerkers. Dat betekent dat hun inkomens gemiddeld gezien ook lager liggen. Het is daarom niet verrassend dat hun kans op armoede driemaal zo hoog is in vergelijking met vaste medewerkers.

Ook het Nibud maakt zich in haar onderzoek zorgen over de kleine buffers van deze gezinnen: een derde van de flexwerkers spaart niet, terwijl bijna de helft van de flexwerkers met middeninkomens nog geen 5.000 euro achter de hand heeft. Slechts een derde van de flexwerkers geeft aan ‘makkelijk rond te kunnen komen’.

SCHOKGOLF

Zolang de economie een beetje fluctueert is dit model best een tijdje vol te houden. Via voldoende belastinginkomsten kan de overheid de welvaart herverdelen zodat niemand echt buiten de boot valt. De groep kwetsbare werkenden groeit weliswaar wel, maar het herverdelingsbeleid kan het aardig bijbenen.

De wereld ziet er totaal anders uit wanneer de economie zoals nu met een schok tot stilstand komt. Dan blijkt de inherente zwakte van deze flexibele arbeidsmarkt. De flexwerkers dreigen van twee kanten plotseling in de verdrukking te komen. Aan de ene kant staan hun banen en opdrachten als eerste en op korte termijn op het spel. Aan de andere kant hebben ze weinig buffers en vangnetten om op terug te vallen.

Anno 2020 zijn er drie miljoen mensen die op korte termijn de grip op hun levensonderhoud kunnen verliezen.

Dit probleem gold al in 2008, maar geldt nu nog veel sterker, omdat deze groep in de tussengelegen jaren met achthonderdduizend personen groeide. Anno 2020 zijn er drie miljoen mensen die op korte termijn de grip op hun levensonderhoud kunnen verliezen. De groep is inmiddels zo groot en betreft zo veel gezinnen dat dat een ware schokgolf door de samenleving zou sturen. Dat is meer dan een economisch probleem. Het is een ingrijpend menselijk en maatschappelijk probleem.

NIEUWE ANTWOORDEN

Eind januari kwam een commissie onder leiding van voormalig topambtenaar Hans Borstlap nog met aanbevelingen voor het verbeteren van de arbeidsmarkt. Het rapport droeg als titel ‘In wat voor land willen wij werken?’

Die vraag is nu urgenter dan ooit. Het coronavirus dwingt ons het ongemakkelijke probleem van onze arbeidsmarkt recht in de ogen te kijken: zijn we als land bereid een groeiende groep mensen de prijs voor onze welvaart te laten betalen?

De huidige crisis maakt duidelijk dat het ook anders kan. Plotseling zijn we allemaal van elkaar afhankelijk.

Het lijkt erop dat Nederland in deze crisis nieuwe antwoorden moet vinden. Directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau Kim Putters waarschuwt al enige tijd voor een maatschappelijke veenbrand. In zijn boek met de gelijknamige titel roept hij de overheid op om veel duidelijker te maken waar zij voor staat en wat burgers van haar mogen verwachten. Ook in Nederland voelt volgens Putters een groot deel van de mensen onzekerheid over de toekomst en hangen er ‘veel gele hesjes aan de kapstok’.

De huidige crisis maakt duidelijk dat het ook anders kan. Plotseling zijn we allemaal van elkaar afhankelijk. Dat geldt voor onze zorg, onze gezondheid, ons eten, ons drinken, ons toiletpapier, onze opdrachten, onze salarissen, onze omzet. Tegenover ziekenhuizen hangen spandoeken met liefdevolle teksten. ’s Avonds golft applaus door de straten om hulpverleners een hart onder de riem te steken. Het aantal initiatieven om buren te helpen groeit. Met dat besef kan een ouderwets begrip zomaar een comeback maken: solidariteit.

BRANDBLUSSER

Instituties hobbelen vaak achter de werkelijkheid aan. Maar de maatregelen die het kabinet nu neemt, kunnen het begin van een nieuw tijdperk zijn. Neem de steunmaatregelen voor zelfstandigen zonder personeel. Zij mogen de komende drie maanden zonder al te veel voorwaarden een uitkering aanvragen. Met een beetje goede wil kan je stellen dat de overheid voor deze groep een basisinkomen optuigt.

In ieder geval staat er een vorm van sociale zekerheid voor ze klaar. Tot voor kort was dat ondenkbaar. Daarmee kan de tijd van de vrolijke individuele ondernemer zomaar eens ten einde zijn, zeker als de recessie langdurig blijkt te zijn. Het collectief is terug van weggeweest.

Vakbonden en brancheverenigingen blijken nu de broodnodige rotsen in de branding.

En wat te denken van de polder? Vakbonden en brancheverenigingen, jarenlang worstelend om het hoofd boven water te houden, met regelmaat gevraagd naar hun bestaansrecht in tijden van individualisering, blijken nu de broodnodige rotsen in de branding. Ze staan in nauw contact met het kabinet en werken zij aan zij om de ergste economische schade te voorkomen.

Wellicht zijn deze organisaties af en toe stoffig, maar dat is de ongebruikte brandblusser in de hoek van de kamer ook. Dat maakt de dankbaarheid voor zijn bestaan niet minder groot wanneer het huis plots in vuur en vlam staat. Een wederopleving ligt in het verschiet.

DRIE RICHTINGEN

Vóór de coronacrisis was het debat over de arbeidsmarkt al langzaam aan het kantelen. Zo riep nota bene premier Rutte afgelopen zomer de bedrijven op de lonen te verhogen.

Er zijn nu in ieder geval drie richtingen denkbaar waarin het beleid zich kan ontwikkelen.

Waar het bedrijfsleven dertig jaar lang gezien werd als motor van de welvaart komt de mens daar nu voor in de plaats.

Ten eerste is er het scenario van de radicale wending, zoals linkse partijen dat graag zouden zien. Waar het bedrijfsleven dertig jaar lang gezien werd als motor van de welvaart komt de mens daar nu voor in de plaats. Zelfs de meest innovatieve ondernemingen blijken weerloos wanneer het personeel ziek is.

Die omkering betekent een wederopbouw van de rechten die mensen de afgelopen decennia langzaam zagen verdwijnen. De flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt drastisch beperkt en voor zelfstandigen zonder personeel ontstaat een veel breder sociaal vangnet dan nu het geval is. De investeringen in de publieke sector stijgen aanzienlijk nu blijkt hóé cruciaal zij is. De kosten van dit alles leiden ertoe dat de verlagingen van bijvoorbeeld de winstbelasting worden teruggedraaid.

Het tweede scenario is een voortgang op de weg die de politiek voor de coronacrisis in leek te slaan. De eerdergenoemde commissie-Borstlap bepleit een beperking van het aantal flexwerkers in Nederland, maar stelt daar meer ‘interne wendbaarheid’ voor bedrijven tegenover. Het moet met andere woorden voor werkgevers makkelijker worden om mensen per week verschillende uren te laten werken, ook als ze vast in dienst zijn.

Ook moet er volgens de commissie voor iedereen een vaste basis komen om op terug te vallen in slechte tijden. Belangenorganisaties van zzp’ers verzetten zich hier voorheen tegen, maar zullen dat verzet niet langer geloofwaardig kunnen volhouden. Voor de publieke sector komt meer waardering maar echte verandering blijft uit.

Een derde scenario is de wederopstanding van het beleid van enkele jaren terug. Het werk van Borstlap kan de koelkast in en in de nasleep van de coronacrisis grijpt een volgend kabinet opnieuw naar het mes om de staatsschuld terug te dringen. De opgelopen werkloosheid en onzekerheid in het bedrijfsleven leiden juist tot de roep om meer flexibiliteit en minder werkgeverslasten.

Ondanks het feit dat deze crisis niets te maken heeft met het concurrentievermogen van Nederlandse ondernemingen, zal de loonstijging gematigd zijn. Minder loon betekent minder belastinginkomsten en dus zullen bezuinigingen volgen. De publieke sector is daarbij een voor de hand liggend doelwit.

DE STATUS QUO LIGT ACHTER ONS

In 1973 sprak Joop den Uyl als premier tijdens de eerste oliecrisis het land toe. Met gevoel voor momentum hield hij zich niet in: ‘Zo bezien, keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug.’

De berg aan euro’s die het kabinet nu de economie in laat stromen, is slechts het begin van een jarenlange herstelopdracht. Het lijkt ook dit keer ondenkbaar dat een terugkeer naar de status quo volgt.

In 2008 schoten overheden massaal de financiële sector te hulp om vervolgens de burger de broekriem aan te laten halen. Een tijdperk van toenemende politieke spanning volgde. De vraag is vandaag de dag opnieuw wat de gevolgen zullen zijn van dit massale overheidsingrijpen, wie hiermee geholpen wordt en wie op de lange termijn de rekening betaalt.

Bron: www.vn.nl